Hoofdstuk 1 Algemeen - vierde tranche
Inhoud
Activiteitenbesluit
Alleen de belangrijkste wijzigingen in Hoofdstuk 1 worden hier genoemd.
Paragraaf 1.1.1 Begrippen
In deze paragraaf is met name de wijziging van art 1.2 AB van belang. De begripsomschrijving van Type A is enerzijds verduidelijkt maar is ook inhoudelijk wat aangepast.
Artikel I, B
In artikel 1.2 wordt de begripsomschrijving van «inrichting type A» als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel f wordt «koudemiddel» vervangen door: synthetisch koude-middel.
2. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
- h. waar geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of model-voertuigen in de open lucht worden gebruikt;
3. Onderdeel h (oud) wordt geletterd onderdeel i.
4. Onderdeel i (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
- a. In de aanhef wordt «in hoofdstukken 3 en 4 alsmede de in de hoofdstukken 3 en 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer» vervangen door: bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4.
- b. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
- 15°. het in werking hebben van een acculader;
- 16°. Het op- en overslaan van inerte goederen die niet stuifgevoelig zijn;
Onderdeel B
In artikel 1.2 is de begripsomschrijving van «inrichting type A» verduidelijkt in die zin dat het hier alleen om synthetische koudemiddelen gaat. Synthetische koudemiddelen zijn alle koudemiddelen die niet onder de definitie van «natuurlijk koudemiddel» in artikel 1.1 vallen. Voor natuurlijke koudemiddelen gelden andere grenzen. Dat volgt uit artikel 3.16c, eerste lid. Die grenzen gelden voor alle typen inrichtingen.
Verder is de begripsomschrijving van «inrichting type A» met een uitzondering aangevuld: inrichtingen waar geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, mo-delvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt. Vaak is op modelvliegterreinen het gebruik van modelvliegtuigen de enige activiteit. Nu de vergunningplicht is vervallen en het besluit geen specifieke voorschriften stelt, zouden dergelijke terreinen inrichtingen type A worden. Dat is niet wenselijk omdat het bevoegd gezag dan geen akoestisch onderzoek kan vragen. Dat kan alleen bij inrichtingen type B en C. Tot slot zijn aan de begripsomschrijving van «inrichting type A», onderdeel i (nieuw), twee activiteiten toegevoegd. Op de eerste plaats «het in werking hebben van een acculader». Het gaat hier om een activiteit die, vergeleken met een aantal andere activiteiten in onderdeel i (nieuw), minder milieubelastend is, maar waardoor de inrichting werd aangemerkt als een inrichting type B. Het is daarom verdedigbaar ook deze activiteit uit te zonderen, zodat een inrichting die deze activiteit uitoefent een inrichting type A is.
Op de tweede plaats het «op- en overslaan van inerte goederen die niet stuifgevoelig zijn». In paragraaf 3.4.3 (opslaan en overslaan van goederen) worden verschillende soorten goederen onderscheiden. Er gelden vooral voor-schriften voor goederen die bodembedreigend of stuifgevoelig (bijlage 3, stuif-klassen S1-S4) zijn. Voor het op- en overslaan van inerte niet stuifgevoelige goederen geeft die paragraaf een vrijstelling voor het lozen van regenwater als dat met deze goederen in contact is geweest. Er bleken veel inrichtingen te zijn waar het op- en overslaan van deze goederen de enige activiteit is, die de inrichting een inrichting type B maakte en daarmee meldingsplichtig. Deze wijziging zorgt ervoor dat deze inrichtingen inrichtingen type A zijn. Een melding kan achterwege blijven omdat de milieubelasting van deze activiteit laag is.
Paragraaf 1.1.2 Reikwijdte
Artikel I, F
Na artikel 1.5a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1.5b
De bij of krachtens de artikelen 2.3b en 2.4 gestelde regels zijn niet van toe-passing voor zover die regels niet verenigbaar zijn met internationale verdragen
Onderdeel F
In artikel 1.5b (nieuw) is geregeld dat de regels over zeer zorgwekkende stoffen in de artikelen 2.3b en 2.4 niet van toepassing zijn als die regels strijdig zijn met internationale verdragen. De regels van die internationale verdragen, zoals REACH, gaan in die gevallen voor.
Afdeling 1.2 Melding
Artikel I, L
Artikel 1.18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt: ten minste 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige.
2. Het tweede lid komt te luiden:
- 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.
Onderdeel L
Met de wijziging van artikel 1.18 komen onder andere dierentuinen onder het Activiteitenbesluit te vallen. Artikel 1.18 geeft de specifieke meldingsvereisten voor veehouderijen. Deze vereisten gelden niet voor kinderboerderijen, hertenkampen, dierentuinen en soortgelijke inrichtingen. Een moeilijk punt is dat dieren van dezelfde diersoort zowel in de agrarische sector als op een kinderboerderij of in een dierentuin gehouden kunnen worden. Om dat onderscheid beter tot zijn recht te laten komen is in het eerste lid opgenomen dat dat lid alleen geldt voor het houden van landbouwhuisdieren. Dit zijn dieren die voor productiedoeleinden in de agrarische sector worden gehouden of gefokt en om paarden in maneges. Doordat het eerste lid expliciet van toepassing is op landbouwhuisdieren is dit artikel niet van toepassing op kinderboerderijen, hertenkampen, dierentuinen en dergelijke. Het tweede lid geeft aan dat bij het houden van kleine aantallen landbouwhuisdieren paragraaf 3.5.8 niet van toepassing is. De oorspronkelijke uitzondering voor kinderboerderijen in het tweede lid is niet meer nodig: dieren op een kinderboerderij zijn geen landbouwhuisdieren en vallen dus niet onder het aangepaste eerste lid.
Artikel I, N
Na artikel 1.21a wordt aan afdeling 1.2 een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 1.21b
1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt een munitie-QRA gevoegd, die voldoet aan de regels, gesteld krachtens artikel 2.6.7, vijfde lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, indien sprake is van het binnen een inrichting die in gebruik is bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht:
- a. oprichten van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 worden opgeslagen;
- b. uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 per opslagvoorziening;
- c. uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.3 per opslagvoorziening, indien na uitbreiding meer dan 50 kilogram NEG van deze klasse aanwezig is;
- d. veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaar-lijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 wordt opgeslagen.
Onderdeel N
In artikel 1.21b (nieuw) is bepaald dat een munitie-QRA bij de melding moet worden gevoegd ten aanzien van het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen bij de krijgsmacht of een wijziging daarvan in bepaalde gevallen. De melding op grond van het Activiteitenbesluit wordt tegelijkertijd gedaan met de aanvraag om een OBM voor deze activiteit als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid, van het Bor. De munitie-QRA wordt tevens bij de aanvraag voor de OBM betrokken.
Activiteitenregeling
In de AR worden twee artikelen ingevoegd: 1.3b en 1.3c. Deze hebben te maken met de indeling van stoffen (REACH).
Artikel I, C
Na artikel 1.3a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 1.3b
1. Als stoffen, stofklassen en stofcategorieën als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het besluit, worden in ieder geval aangewezen en onderverdeeld de stoffen, stofklassen en stofcategorieën in bijlage 12a.
2. Voor de stoffen die als anders ingedeeld zijn aangemerkt als bedoeld in artikel 2.5, zesde lid, van het besluit en die in bijlage 12b zijn vermeld, gelden, in afwijking van artikel 2.5 van het besluit, tot 1 januari 2025 de waarden in bijlage 12b.
Artikel 1.3c
1. Onverminderd artikel 1.3b valt een stof in ieder geval in de stofcategorie zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het besluit en tabel 2.5 van het besluit en is in ieder geval een zeer zorgwekkende stof als bedoeld in artikel 2.3b, tweede lid, van het besluit, indien deze stof voorkomt op:
- a. bijlage VI van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, en is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of categorie 1b;
- b. de inventaris van geclassificeerde stoffen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, en is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of categorie 1b;
- c. de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- d. bijlage XIV van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- e. bijlage I, II, III of IV van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (PbEU L158);
- f. de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen OSPAR Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met Bijlagen en Aanhangsels (Trb. 1993, 16 en 141, 1998, 169, 2000, 74, 2001, 157, 2008, 60 en 203, 2011, 231), of
- g. bijlage X van de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof.
2. Onverminderd het eerste lid valt een stof tevens in de stofcategorie zeer zorgwekkende stoffen en is tevens een zeer zorgwekkende stof als bedoeld in het eerste lid indien deze stof voldoet aan de vast-gestelde wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen als bedoeld in:
- a. artikel 5, derde lid, van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU L167), of
- b. bijlage II, paragraaf 3.6.5, van Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU L 309).
3. Een wijziging van de bijlagen, lijsten, inventaris dan wel criteria, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt een ander tijdstip wordt vastgesteld.
